De taal van onze dromen
1978. Lenny Kuhrs Theatertoer liep op z’n eind en hoeveel lol wij als de vier begeleidende muzikanten ook gehad hadden 't afgelopen jaar, we waren hoognodig aan iets anders toe. "'t Moet heavier," dacht ik en stelde de jongens voor onze eigen weg te gaan, nodigde Hans Kosterman en Cherry Wijdenbosch uit en herinner me nog de aanvankelijke reserve die dat opriep: de ene was zo lastig en of de ander echt kon zingen...? Nou ja, hoe dat zou gaan zouden we wel zien, maar één ding was zeker: we wilden heftige, slimme muziek met directe, ter zake doende teksten. In het Nederlands dus, de taal waarin we leefden, waarin we dachten, waarin we droomden.

Geen voorbeelden
Er waren in die tijd, nog vóór de doorbraak van de Nederlandse taal in de popmuziek — Ik hou van je, man, dat klinkt toch voor geen meter: I love you! Yeah! — voor ons gevoel geen acceptabele voorbeelden. Prima dat Normaal in het Achterhoeks zong, maar waarom klonk hun muziek toch zo Amerikaansig? Bram en Freek, Bots, Koelewijn: amusement, cabaret of kleinkunst, maar in ieder geval geen muzikale uitdaging, zo vonden wij. In een lange reeks repetities ontwikkelde de nieuwe groep Braak gaandeweg een voor Nederland nieuw en tot dan toe uniek idioom, dat een uitgekiende muzikale complexiteit toestond met behoud van zeggingskracht.

Boycot en billen
Net zo min als we ons iets gelegen lieten liggen aan muzikale conventies — in de zin dat we ons vrij voelden zowel daarbinnen als daarbuiten te opereren — was dat het geval voor de teksten die we schreven. Er was maar één criterium: directheid. De eerste single van Braak werd meteen al getroffen door een radio-boycot van de Tros en de NCRV, vanwege het laatste woord in m’n tekst Komt alles door tabak / of ben ik echt zo’n zak / die nooit lef heeft / altijd pech heeft / altijd trapt in hondenkak.
Een paar liedjes verder bezong Hans Kosterman zijn idee over op z’n minst een aspect van liefde met Elke keer krijg ik een stijve / als ik jou zie, om te vervolgen met Nee dat kan toch niet zo blijve / nee dat kan toch nie.
En was het niet tijdens de fameuze manifestatie Nacht tegen Van Agt (juni 1979) dat zowel onze topgitarist (later bekend geworden als ontwerper en producent van de Koch-versterker, een begrip in de internationale gitaarwereld) als de drie vocalisten (onder wie de latere maker van de fel-begeerde Nederlandse filmtrofee het Gouden Kalf en notabene de eveneens latere 'Dame uit Suriname') zich unisono met tijdelijk ontbloot achterwerk c.q. zitvlak naar het niet alleen voor deze gelegenheid talrijk toegestroomde publiek keerden?
Nee, echt gemakkelijk maakte deze verzameling heel- en halfwassen muziekintellectuelen het zich niet; zichzelf niet, maar ook het publiek niet, vaak niet meer dan een paar boerenzonen die om half negen zaterdagavond eerder bezopen dan stoned op hun opgevoerde brommers naar het lokale jeugdhonk waren getuft om daar dan, geheel tegen de simpele verwachting in, geconfronteerd te worden met onze idiote muziek, fel-realistische teksten en randstedelijke arrogantie...
Gewelddadigheden mevrouwtje!

De Suite voor een hypochonder
Dit was zo ongeveer de ambiance waarin Braak zwaar repeterend naar haar Magnum Opus toegroeide: de Suite voor een hypochonder (1979/80). Het is misschien de aangename eigenschap van het terugzien eerder dan de realiteit der dingen dat achteraf een en ander op z’n plaats lijkt te vallen. De Suite speelde zich af op het cruciale keerpunt van de tweede helft van de vorige eeuw en wel daar waar de achterkant van de verzorgingsstaat zichtbaar begint te worden — Dit is de welvaart die ik kreeg / ik vreet me vol maar voel me leeg — en waar het vigerend solidariteitsdenken — Ik draag een button / ik ben o.k — via een nieuw cynisme — Weg met de verschillen / voor iedereen een zwarte bouvier! — langzaam maar onvermijdelijk plaats maakt voor het hedonistisch individualisme van de aanstormende jaren negentig: Ik ben klaar voor de champagne!
Ik denk, onbescheiden misschien, dat we in al onze overgevoeligheid de spanning van dit tijdsgewricht in ons voelden kraken, in ieder geval weet ik dat we een bijna existentiële noodzaak — ik zou haast zeggen urgency — ervoeren om onze gevoelens van persoonlijke angst en maatschappelijke weerzin uit te drukken, ja, uit te braken, misschien niet geheel voorbij enige persoonlijke ijdelheid, maar wel een heel eind; in ieder geval zonder de behoefte een publiek te behagen. Hier werd gezegd wat door ons niet anders gezegd kon worden. Geschreeuwd wat anders niet geschreeuwd kon worden… Götterdämmerung in de polder? Jazeker!
Götterdämmerung, júist in de polder!

Simon Been
Augustus, 2005

Het slot van deze geschiedenis vind je in het cd-boekje.

.

.